Nu snap ik wat Jesaja en zo bedoelden
Koop in de Apple Store Koop in de Play Store

Bijbelverhalen

1 Ik ben bezorgd om het milieu (gevoel) Bestaat God wel    (gevoel) Nieuw leven (gebeurtenis)

De schepping van hemel en aarde

Uit het bijbelboek Genesis, hoofdstuk 1 en 2

De aarde waarop wij dagelijks werken, leven, genieten en soms verdriet om hebben is niet zomaar ontstaan. God heeft deze aarde geschapen, met alles wat daarin leeft. Dit wonder wordt beschreven op de allereerste pagina van de Bijbel.
(Tip de icons en vind dit verhaal in de app Bible-Fit.)

In het begin maakte God hemel en aarde.
De aarde was woest en leeg en overal was het donker. Boven het
water zweefde de Geest van God.
Toen zei God: ‘Er zal licht zijn!’ En er was licht. God zag dat het
licht goed was. Hij maakte een scheiding tussen het licht en het
donker. Het licht noemde Hij dag en het donker nacht. Er was een
avond en een ochtend: de allereerste dag.
Toen scheidde God de hemel van de aarde. Dat was de tweede
dag.
En God zei: ‘Laat er droge grond zijn.’ En er was droge grond.
Die noemde God land, en het water noemde Hij zee. Toen keek God
naar wat Hij had gemaakt en Hij zag dat het goed was.
Toen zei God: ‘Op het land zullen planten groeien en bloemen en
fruitbomen.’ En op het land groeiden planten en bloemen en fruitbomen.
Dat was de derde dag.
En God zei: ‘Laat er in de dag een licht aan de hemel verschijnen,
laten er seizoenen zijn die samen een jaar maken.’ En zo gebeurde
het. God maakte de zon die overdag schijnt, en voor de nacht maakte
Hij de maan. Daarna maakte Hij de sterren.
En God zag dat het goed was wat Hij had gemaakt. Er kwam
weer een morgen en een avond, en dat was de vierde dag.
God zei: ‘In de zee komen vissen en andere waterdieren, en in de
lucht komen vogels.’ En de zee was vol vissen en andere waterdieren,
en door de lucht vlogen allerlei vogels. God zag dat het goed
was wat Hij had gemaakt en Hij zegende de vissen en de waterdieren
en de vogels. Dat was de vijfde dag.
Toen zei God: ‘Laten er dieren op het land zijn, zoogdieren en reptielen
en wilde dieren en nog veel meer.’ En er liepen overal dieren
rond. God zag dat het goed was.En toen zei God: ‘Ik zal mensen maken, wezens die op Mij lijken.
Ze zullen de baas zijn over de dieren en verantwoordelijk zijn voor
de hele aarde.’
En God maakte de mens die op Hem lijkt, mannen en vrouwen.
God zegende de mens en zei: ‘Zorg goed voor alles wat Ik heb
gemaakt, jullie en je kinderen.’
God zag dat alles wat Hij had gemaakt heel goed was. Dat was
de zesde dag.
Op deze manier zijn de hemel en de aarde ontstaan met alles wat
daarop groeit en bloeit.
Op de zevende dag was God klaar, en daarom rustte Hij die dag uit. Deze rustdag zegende Hij.

Met toestemming overgenomen uit: ‘Het grote verhaal van God en mensen’.
Murray Watts, Ark Boeken, 2008
2 Ik begin opnieuw (gebeurtenis) Er is een ramp gebeurd (gebeurtenis) Er is hoop (gevoel)

De ark van Noach en de watervloed

Uit het bijbelboek Genesis, hoofdstuk 7 en 8

De aarde bestaat nog niet zo heel lang als de mens er alweer een puinhoop van maakt.
God kiest Noach uit om een nieuwe start te maken.In een grote boot, de ark, overleven hij en zijn gezin de enorme watervloed die over de aarde komt.
(Tip de icons en vind dit verhaal in de app Bible-Fit.)

In de eeuwen na Kaïn en Abel kwamen er steeds meer mensen op
aarde. Veel van hen volgden het voorbeeld van Kaïn en gebruikten
geweld. Dat werden er zo veel, dat wanneer God op aarde keek, Hij
er verdrietig van werd.
‘Ik had de mensen nooit moeten maken,’ zei Hij, ‘ze zijn ontzettend
slecht.’ God werd erg boos en zei: ‘Ik zal de mensen vernietigen.
Ze maken mijn schepping kapot!’
Maar er was één man op wie God niet boos was. Dat was Noach.
Hij was anders dan de anderen, heel eerlijk en oprecht. Elke dag
gehoorzaamde hij God. Daarom besloot God dat Hij Noach en zijn
familie zou redden wanneer Hij de schepping vernietigde.
Dus zei God tegen Noach: ‘Ik ga alle mensen van de aarde laten
verdwijnen, ze gebruiken geweld en zijn wreed tegen elkaar. Je moet
een ark bouwen van cipressenhout, een heel grote boot met veel
kamers en een dak. De naden tussen het hout moet je dichtsmeren
met pek.’
Noach was heel verbaasd dat God hem vroeg een boot te bouwen,
want hij woonde ver van de zee af.
‘De boot moet honderddrieëndertig meter lang zijn, tweeëntwintig
meter breed en dertien meter hoog. In de zijkant moet je een
grote deur maken, en je moet drie dekken maken,’ zei God.
Noach knikte ernstig. Hij zou precies doen wat God hem zei.
Toen zei God: ‘Er komt een enorme overstroming waarbij alles
wat leeft zal omkomen. De aarde zal met water worden bedekt en
alles wat ademhaalt, zal sterven. Maar met jou en je familie sluit Ik
een verbond, Noach, een verbond voor eeuwig. Jullie moeten in de
ark gaan, daar zijn jullie veilig. Jullie zullen niet verdrinken tijdens
de overstroming.’
Helemaal onder de indruk stond Noach op. Maar God ging verder:
‘Van alle dieren die op het land en in de lucht leven, moet je
er twee meenemen in de ark. Een mannetje en een vrouwtje. En je
moet ook genoeg eten meenemen, voor de dieren en voor jullie zelf.
Zo zul je de hele schepping aan boord hebben.’
Noach deed alles wat God had gezegd. Samen met zijn zonen
Sem, Cham en Jafet bouwde hij de ark, midden in de woestijn waar
hij woonde. De mensen lachten hem uit, ze zeiden dat hij gek was.
Eindelijk was de boot klaar. Het was een heel vreemde boot, zoiets
had nog nooit iemand gezien. Maar er kwam geen regen.
De zon stond stralend aan de hemel en de mensen die geen respect
voor Noach of God hadden, lachten nog harder. Noach had hen wel
gewaarschuwd, maar daar trokken ze zich niets van aan.
En toen Noach de ark vol dieren laadde, wisten ze zeker dat hij
gek was.
Maar de dieren gingen braaf met Noach mee. Twee aan twee gingen
ze naar de boot, waar Noach hen verwelkomde. Ze kregen allemaal
hun eigen plekje en er was genoeg eten aan boord voor iedereen.
Toen Noach en zijn vrouw, de drie zoons en hun vrouwen ook allemaal
aan boord waren, deed God de grote deur dicht. Even later
begon het te regenen.
Het regende veertig dagen en veertig nachten. De rivieren traden
buiten hun oevers en ondertussen onweerde het verschrikkelijk. Het
was ook heel donker geworden. Uiteindelijk was er zoveel regen
gevallen dat de hele wereld onder een diepe laag water lag, zelfs de
toppen van de bergen. Alles en iedereen verdronk, behalve Noach,
zijn familie en de dieren in de ark.
Honderdvijftig dagen nadat de regen was opgehouden, dobberde
de ark nog rond op het water dat de hele aarde bedekte. Nergens
was er land in zicht. Maar God was Noach niet vergeten en Hij liet
een harde wind opsteken. Heel langzaam zakte het water.
En nog steeds was er geen land te zien, maar het was niet meer zo
donker. Op een dag botste de ark ergens tegen op. Verschrikt sprong
de familie van Noach op. De ark lag stil! Ze waren terechtgekomen
boven op de berg Ararat.
Snel deed Noach een raampje open en keek uit over het water.
Omdat hij nergens land zag, liet hij een raaf naar buiten vliegen om te kijken of die misschien ergens land kon vinden. Maar de raaf
kwam weer terug naar de ark.
Toen liet Noach een duif uitvliegen. De duif vloog omhoog, maakte
een paar rondjes en vloog uit het zicht. Pas na heel lang kwam ze
weer terug en landde op Noachs hand.
Na zeven dagen liet Noach de duif weer uitvliegen en deze keer
kwam ze terug met een olijftakje in haar snavel.
Noach wist daardoor dat het water steeds verder zakte. Toen hij
de duif weer liet uitvliegen, kwam ze niet meer terug. Noach liet de
mannetjesduif ook uitvliegen. Daarna opende hij het luik en toen
konden ze allemaal zien dat het water weer keurig in de rivierbeddingen
en de zeeën stroomde, en dat het land droog was.
Toen zei God: ‘Kom maar uit de ark, jij, je vrouw, je zonen en
hun vrouwen. Laat alle dieren vrij. Laat ze maar uitzwermen over
de aarde.’
De dieren liepen, sprongen, gleden en kropen naar buiten, en de
vogels vlogen op en zongen en tjirpten. Noach en de hele familie
knielden neer en boven op de berg Ararat eerden ze God.
Toen zei God: ‘Ik beloof jullie en al jullie kinderen dat Ik nooit
meer de hele aarde met water zal bedekken. Ik beloof dat er altijd
seizoenen zullen zijn. Er zal gezaaid en geoogst kunnen worden,
soms is het koud en soms is het warm, na de zomer komt de winter
en na de nacht komt de dag. En om jullie te laten zien dat Ik me aan
mijn belofte zal houden, maak Ik de regenboog.’
Op dat moment verscheen er een prachtige regenboog aan de hemel.
Vol verwondering keken Noach en zijn familie naar al die kleuren
in de lucht.
‘Mijn regenboog zal jullie herinneren aan de belofte die Ik jullie
en jullie kinderen heb gedaan,’ zei God. ‘Het is een verbond dat Ik
sluit met alles wat op aarde leeft.’
In de jaren die volgden, keek Noach vaak naar de regenboog en
dan dacht hij aan Gods belofte. Zijn hele leven lang diende hij God
trouw.

Met toestemming overgenomen uit: ‘Het grote verhaal van God en mensen’.
Murray Watts, Ark Boeken, 2008
3 Ikke, ikke, ikke (gevoel) Ik voel me schuldig (gevoel) Het zit tegen (gebeurtenis)

Jozef en zijn broers

Uit het bijbelboek Genesis, hoofdstuk 37

Jozef heeft veel broers. Hij is bij hen niet erg populair want hij is het lievelingetje van zijn vader. Ook vertelt hij over zijn vreemde dromen waarin hij de baas is over zijn broers. Dat pikken ze niet en het leven van Jozef lijkt zinloos te worden.
(Tip de icons en vind dit verhaal in de app Bible-Fit.)

Tijdens de reis naar huis kreeg Jakobs vrouw Rachel nog een zoon,
Benjamin. Helaas stierf Rachel. Jakob was heel bedroefd en hij ging
nog meer houden van de twee zonen van Rachel. Hij wilde ze altijd
bij zich in de buurt hebben.
Toen Jozef zeventien was, liet Jakob een heel speciale jas voor hem
maken in allerlei kleuren. De oudere broers werden heel jaloers, ze
kregen een hekel aan Jozef.
‘Wie denkt hij wel dat hij is?’ mopperden ze. ‘Een prins of zo?’
Op een dag rende Jozef buiten adem naar zijn broers toe. ‘Hoor
eens! Ik heb gedroomd!’ riep hij.
Toen de broers hoorden wat Jozef had gedroomd, kregen ze een
nog grotere hekel aan hem.
‘We waren in het veld en bonden het koren tot schoven,’ vertelde
Jozef. ‘Plotseling werd mijn schoof groter dan de andere. De andere
schoven bogen diep voor de mijne.’
‘Wil je soms onze koning zijn?’ vroegen de broers kwaad. ‘Wil je
de baas over ons zijn? Jíj?’
Jozef merkte niet dat ze zo boos waren, hij ging helemaal op in het
vertellen over zijn droom.
Een tijdje later droomde hij weer, en weer vertelde hij zijn broers
dat hij had gedroomd. ‘Ik heb weer gedroomd!’
De broers waren heel onaardig. ‘Wat heb je nou weer verzonnen,
dromer?’ vroegen ze. Maar vader Jakob vond dat ze Jozef moesten
laten uitpraten.
‘Ik was buiten,’ vertelde Jozef. ‘De zon, de maan en de sterren
stonden aan de hemel.’ Even zweeg hij, want hij begreep dat het
raar klonk.
‘Ga verder,’ zei Jakob.
‘De zon, de maan en de sterren bogen voor mij.’ Iedereen begreep wat die droom betekende.
‘Wat een rare droom!’ riep Jakob geschokt uit. ‘Dacht je dat de
hele familie voor jou zal buigen?’ Hij schudde zijn hoofd en zei
maar niet wat hij van Jozefs droom vond. Maar hij bleef er wel over
nadenken.
De broers durfden hun vader niet te laten merken dat ze een hekel
aan Jozef hadden, daarom wachtten ze op een kans om Jozef te
grazen te nemen.

Jakob bezat een grote schaapskudde die de broers moesten hoeden.
Op een dag, toen de broers er met de schapen op uit waren, riep
Jakob Jozef bij zich.
‘Zoon,’ zei hij, ‘ga eens kijken hoe het met je broers is en of ze
goede weidegrond hebben gevonden.’
Dus ging Jozef op weg. Hij vond de broers in Dotan en rende
zwaaiend op hen af. Zijn broers herkenden hem al van verre aan
die mooie jas. Ze vonden het heel erg dat hun vader het meest van
Jozef hield, en die kleurige jas wakkerde hun haat alleen maar aan.
Ze bedachten een plan om Jozef te doden.
‘Daar komt die dromer aan,’ zeiden ze tegen elkaar.
‘Kom,’ zei een van hen, ‘laten we hem doden en in zo’n opgedroogde
put gooien.’
‘Ja!’ zei een ander. ‘Dan zeggen we dat hij is opgegeten door een
roofdier.’
Maar Ruben, de oudste broer, werd bang. ‘Wacht,’ zei hij, ‘maak
hem niet dood.’
‘Jawel, we doden die dromer, die leugenaar!’ siste Gad en trok
zijn mes.
‘Nee!’ riep Ruben hard. De andere broers werden boos op hem,
straks doodden ze hém nog.
‘Goed dan,’ zei Ruben, ‘gooi hem dan maar in een opgedroogde
put, maar dood hem niet.’
Ruben was van plan om stiekem terug te gaan om Jozef te bevrijden.
Omdat hij er niets mee te maken wilde hebben, ging hij maar
naar de schapen toe.
Zodra Ruben weg was, grepen de broers Jozef beet, trokken hem
de jas uit en wierpen hem in de opgedroogde put. Jozef schreeuwde
en smeekte hen om hem eruit te halen. Hoewel de broers hem hoor- den gillen en schreeuwen in die galmende put, aten zij gewoon hun
brood op.
Terwijl ze aan het eten waren, kwamen er koopmannen voorbij.
Ze waren op weg naar Egypte en hun kamelen waren beladen met
specerijen en parfums.
‘Waarom zouden we Jozef doden?’ vroeg Juda. ‘We komen ook
zonder dat wel van hem af; we verkopen hem gewoon als slaaf!’
Dat vonden ze een goed idee. Ze haalden Jozef uit de put en verkochten
hem voor twintig zilverstukken.
Later kwam Ruben terug, maar toen hij in de put riep, hoorde
hij alleen de echo. En toen hij een touw in de put liet zakken, pakte
niemand dat aan.
‘Jozef! Jozef!’ riep hij. Hij begreep dat de jongen weg was. Ongerust
rende hij naar zijn broers en vroeg: ‘Wat hebben jullie met hem
gedaan? Wat moeten we tegen vader zeggen?’
De broers besloten schapenbloed op Jozefs jas te smeren en dat
aan Jakob te laten zien. Toen ze Jakob de gescheurde en bloederige
jas lieten zien, schrok hij vreselijk.
‘Roofdieren hebben hem verscheurd,’ zeiden de broers. Iedereen
probeerde Jakob te troosten, maar hij wilde niet getroost worden.
‘Tot mijn dood blijf ik treuren,’ zei Jakob bedroefd.

Met toestemming overgenomen uit: ‘Het grote verhaal van God en mensen’.
Murray Watts, Ark Boeken, 2008
4 Ik ben bang (gevoel) Er is hoop (gevoel) Ik zie geen uitweg meer (gebeurtenis)

De baby in het riet

Uit het bijbelboek Exodus, hoofdstuk 1 en 2

Een strenge farao op de troon in Egypte geeft een vreselijke opdracht: dood alle babyjongetjes. Eén van hen ontsnapt in een mandje, drijvend op de rivier. Dat jongetje is Mozes die een bijzonder dubbelleven tegemoet gaat als geadopteerde zoon van een Egyptische prinses.
(Tip de icons en vind dit verhaal in de app Bible-Fit.)

Jaren nadat Jozefs familie in Egypte was komen wonen, kwam er
een nieuwe Farao op de troon. Toen die zag hoeveel Israëlieten – dat
zijn de nakomelingen van Jakob – er in zijn land woonden, werd hij
bang dat daar oorlog van zou komen.
‘Op een dag zullen de Israëlieten in opstand komen,’ zei hij.
Daarom liet hij hen slavenarbeid doen en kregen ze heel strenge
opzichters. De Israëlieten moesten met grote keien sjouwen en stenen
van klei en stro maken om een stad mee te bouwen.
De opzichters sloegen hen met zwepen. De Israëlieten hadden het
erg moeilijk.
Toch was de koning nog steeds bang, en daarom beval hij dat alle
jongetjes van dat volk bij de geboorte moesten worden gedood. De
soldaten moesten hen in de rivier de Nijl gooien.
Op een dag kreeg een vrouw een zoontje dat ze onmiddellijk verstopte.
Maar toen hij drie maanden oud was, kon ze hem niet meer
verborgen houden. Ze maakte een mandje van riet en smeerde dat
in met teer zodat er geen water in kon komen. Daarna legde ze de
baby in het mandje en lieten het mandje op het water drijven.
Terwijl het mandje ronddobberde, hield het zusje van de baby,
Mirjam, het vanaf de oever in de gaten. Tot haar verbazing kwam de
dochter van Farao in de rivier baden. Plotseling zag ze het mandje.
‘Breng dat eens hier!’ beval ze haar slavinnen. Zodra het mandje
op de oever stond, knielde de prinses erbij neer en zag de baby. ‘O!’
riep ze uit. ‘Dat is vast een kindje van de Israëlieten!’ Ze pakte de
baby op en knuffelde hem.
Toen Mirjam dat zag, begreep ze dat de prinses graag zelf een
kindje had willen hebben. Een beetje verlegen kwam ze tevoorschijn
en vroeg: ‘Zal ik een voedster halen die het kindje te eten kan geven?’
‘Ja graag!’ antwoordde de prinses. En de slimme Mirjam ging
gauw haar moeder halen.
‘Zorg voor dit kind,’ beval de prinses haar. Ze beloofde ook ervoor
te betalen.
De prinses noemde de baby Mozes, dat betekent: uit het water
gehaald. Mozes’ moeder zorgde voor hem tot hij oud genoeg was
om in het paleis te wonen.
De prinses voedde hem op alsof hij haar eigen zoon was.

Met toestemming overgenomen uit: ‘Het grote verhaal van God en mensen’.
Murray Watts, Ark Boeken, 2008
5 Ik word ouder (gebeurtenis) Nieuw leven (gebeurtenis) Er is hoop (gevoel)

Ruth, de vreemdelinge

Uit het bijbelboek Ruth, hoofdstuk 1 t/m 4

De jonge weduwe Ruth gaat met haar schoonmoeder mee naar een voor haar onbekend land. Eenmaal daar is ze een vreemdeling. Maar door haar lieve karakter en haar vertrouwen op God wordt alles steeds een beetje beter en gaat de familiegeschiedenis toch verder.
(Tip de icons en vind dit verhaal in de app Bible-Fit.)

Toen de rechters de leiders van Israël waren, kwam er een hongersnood.
De oogst was zo slecht dat een man die Elimelech heette
uit de stad Betlehem wegging om eten te zoeken. Op de vlakte van
Moab bleef hij wonen, met zijn vrouw Noömi en hun twee zoons.
Na enige tijd stierf Elimelech plotseling. Noömi was heel bedroefd,
maar haar zoons troostten haar. Na een tijdje trouwden ze
met meisjes uit de streek, Orpa en Ruth. Noömi verheugde zich al
op de kleinkinderen. Maar er kwamen geen kleinkinderen, en allebei
haar zoons werden ziek en stierven. Noömi was helemaal alleen
in een vreemd land, en ze was nog arm ook.
Orpa en Ruth hielden veel van Noömi en probeerden haar te
troosten, maar Noömi wilde niet getroost worden. Ze vond dat
God haar leven wel erg zwaar maakte en ze huilde veel.
‘Ik heb hier niets,’ zei Noömi. ‘Ik kan beter teruggaan naar Betlehem.’
De twee jonge vrouwen liepen met haar mee, maar Noömi zei:
‘Ga maar terug, zoek een nieuwe man. Misschien beloont God jullie
wel omdat jullie zo lief voor me zijn geweest.’ Daarna liep ze
verder. Orpa en Ruth barstten in tranen uit en renden achter haar
aan. ‘Nee,’ zei Noömi, ‘ga naar huis! Ik ben te oud om nog eens te
trouwen, ik heb geen zonen meer voor jullie.’
Toen kuste Orpa Noömi en ging terug naar Moab. Maar Ruth
bleef bij Noömi.
‘Orpa gaat terug naar haar volk en haar goden,’ zei Noömi. ‘Ga
maar met haar mee.’
‘Nooit!’ zei Ruth en met tranen in de ogen keek ze Noömi aan. ‘Ik
blijf bij je. Waar jij gaat, ga ik ook. Waar jij woont, woon ik ook.
Jouw volk zal mijn volk zijn en jouw God zal mijn God zijn. Alleen
de dood kan ons scheiden.’
Verrast keek Noömi op. Ze was verbaasd dat Ruth zo trouw was.
Ze schudde haar hoofd, want ze had Ruth niets te bieden dan armoede
en verdriet. Toch bleef Ruth naast haar lopen.
Toen Noömi merkte dat Ruth per se bij haar wilde blijven, zei ze
er niets meer van. Zo liepen ze samen naar Betlehem.

Noömi zag dat Ruth erg onder de indruk was van Boaz, en Boaz
was wel heel erg vriendelijk voor Ruth. Op een dag zei ze tegen
Ruth: ‘Het wordt tijd dat je je eigen huis krijgt,’
‘Wat bedoel je?’ vroeg Ruth. Noömi glimlachte en zei: ‘Doe maar
wat ik je zeg. Vannacht slapen de werkers buiten om het graan te
bewaken. Was je, doe parfum op en trek je mooiste kleren aan. Ga
dan stiekem naar de dorsvloer. Wacht totdat Boaz genoeg heeft van
het feest en gaat slapen onder de sterren. Dan ga je bij zijn voeten
zitten en je wacht tot hij wakker wordt.’
Ruth vond het vreemd, maar toch deed ze wat Noömi had gezegd.
Ze dacht dat het wel een oude gewoonte zou zijn. Ze wist niet wat
er daarna zou gebeuren. Misschien werd Boaz wel boos op haar...
Midden in de nacht werd Boaz wakker en merkte dat er een jonge
vrouw bij zijn voeten lag.
‘Wie is dat?’ vroeg hij geschrokken.
‘Ruth, mijn heer.’
‘Ruth? Maar...’
‘U bent familie van mij,’ zei ze. ‘U moet voor mij en mijn familie
zorgen.’ Ruth kwam uit Moab, maar ze wilde leven volgens de wetten
van de God van Israël. In die wet stond dat als een man stierf,
zijn weduwe met een man van zijn familie moest trouwen. Dan kon
de familie niet uitsterven.
Boaz was heel verbaasd dat Ruth zo dapper was. Hij vond haar
heel lief.
‘Je had naar een andere man kunnen gaan,’ zei hij, ‘maar omdat je
zoveel van Noömi houdt, ben je naar mij gekomen.’
Er was nog een andere man die familie was, maar Boaz regelde het
zo dat hij de erfgenaam werd van Elimelech, de gestorven man van
Noömi. En toen mocht hij met Ruth trouwen.
Op de bruiloft van Ruth en Boaz was iedereen heel blij. Ze baden
om God te vragen Ruth te zegenen, en na een tijdje kreeg ze een
zoon. Ze noemden hem Obed. Later werd Obed de vader van Isaï,
en Isaï werd later de vader van de grote koning David.

Met toestemming overgenomen uit: ‘Het grote verhaal van God en mensen’.
Murray Watts, Ark Boeken, 2008
Meer verhalen: