Nu snap ik wat Jesaja en zo bedoelden
Koop in de Apple Store Koop in de Play Store

Bijbelverhalen

6 Ik ben boos (gevoel) Blij met mijn geloof (gebeurtenis)

David en de reus Goliat

Uit het bijbelboek 1 Samuël, hoofdstuk 17

Een schaapsjongen staat tegenover een reus en daagt hem uit te vechten. Moge de beste winnen! Het lijkt een onmogelijk gevecht, maar hier gebeurt iets bijzonders.
(Tip de icons en vind dit verhaal in de app Bible-Fit.)

Niet lang nadat Samuël David in het geheim als koning had gezalfd,
kwamen de Filistijnen met een leger aanzetten om Israël te veroveren.
De twee legers stonden in een diepe vallei tegenover elkaar: aan
de ene kant koning Saul en de Israëlieten, aan de andere kant de
Filistijnen.
Ineens zagen de Israëlieten een enorm grote soldaat uit het kamp
van de Filistijnen komen. Hij was een echte reus, wel drie meter
lang. Hij droeg een bronzen helm, een bronzen borstharnas en hij
had een speer als een boomstam.
Hij heette Goliat en de Israëlieten waren vreselijk bang voor hem.
Hij brulde door het dal: ‘Kies maar iemand om met me te vechten!
Als jullie man mij kan doden, worden we jullie slaven, maar als ik
hém dood, dan worden jullie onze slaven!’
Niemand durfde een vin te verroeren. Zelfs koning Saul, die toch
de langste man van Israël was, zag er klein en zwak uit vergeleken
met die reus.
Zwaaiend met zijn speer liep Goliat door het dal en lachte de
Israëlieten uit.
‘Ik alleen tegen het leger van Israël! Kom dan, vecht met me!’
Maar niemand durfde met Goliat te vechten. Toen Goliat terugging
naar het kamp, juichten de Filistijnen en ze lachten de Israëlieten
uit.
Veertig dagen lang kwam Goliat het kamp uit en brulde zijn uitdaging.
De zon schitterde op al het brons. En niemand van de Israëlieten
durfde met hem te vechten.
Ondertussen waakte David thuis over de schapen. Zijn drie oudste
broers waren bij het leger van koning Saul. Hun vader Isaï maakte
zich zorgen om hen, daarom stuurde hij David eropuit om te kijken
hoe het met hen ging.
Toen David bij het kamp kwam, zag hij hoe bang de Israëlieten
waren. Hij zag Goliat, die weer door het dal paradeerde en brulde.
En hij zag dat sommige soldaten zo bang waren dat ze vluchtten.
David werd boos.
‘Wie is die waardeloze Filistijn die Gods volk durft uit te lachen?’
vroeg hij.
Toen zijn broer Eliab dat hoorde, werd hij kwaad. ‘Wat doe jij
hier?’ vroeg hij. ‘Ga toch terug naar je schaapjes!’
‘Mag ik dan niets zeggen?’ vroeg David. Hij vroeg de andere soldaten
alles over Goliat, en zij vertelden dat aan koning Saul. Saul
liet David halen.
Toen Saul de jongen zag, was hij verrast. Hij was nog zo jong en
toch helemaal niet bang.
‘Waarom is iedereen zo bang voor die Filistijn?’ vroeg David. ‘Ik
wil wel met hem vechten.’
‘Jij?’ vroeg koning Saul. ‘Jij bent nog maar een jongen en Goliat
vecht al zijn hele leven.’
‘Ik vecht ook al heel lang,’ zei David zacht. ‘Ik dood de leeuwen
en beren die mijn schapen willen opeten. De God die mij uit de
klauwen van leeuwen en beren redde, zorgt er ook wel voor dat die
Filistijn me niets doet.’
‘Toe dan maar,’ zei Saul. ‘Moge God met je zijn.’
David mocht Sauls harnas aan, maar dat was te zwaar. De jongen
zei: ‘Ik ben daar niet aan gewend, ik ga wel zoals ik gewend ben.’
Uit een beek haalde David vijf gladde kiezelstenen en stopte die in
zijn herderstas. Daarna pakte hij zijn slinger en liep door de vallei
naar Goliat toe.
Toen de reus zag dat er eindelijk iemand kwam om met hem te
vechten, hief hij zijn speer op. Maar toen hij merkte dat het nog
maar een jongen was, werd hij heel kwaad.
‘Jullie behandelen me als een hond!’ brulde hij naar de Israëlieten.
‘Jullie gooien met stokjes!’ Toen vloekte hij en riep: ‘Kom hier, jongen,
dan voer ik je aan de vogels!’
‘Jij hebt een speer en een zwaard,’ riep David terug. ‘Ik kom in
naam van de God van Israël. Vandaag zal ik je verslaan. De Heer
heeft geen speren en zwaarden nodig!’
Terwijl Goliat zijn speer ophief om te mikken, deed David een
steen in zijn slinger, zwaaide die boven zijn hoofd en liet los. Razendsnel
vloog de steen door de lucht en doorboorde Goliats voorhoofd.
De Filistijnse reus viel dood neer.
David rende op hem af, pakte het grote zwaard en hakte Goliats
hoofd af. Toen de Filistijnen zagen dat de reus dood was, vluchtten
ze bang weg. Het Israëlitische leger zette de achtervolging in.
Die dag hadden de Israëlieten onder koning Saul gewonnen. Iedereen
praatte over de herdersjongen die Israël had gered.

Met toestemming overgenomen uit: ‘Het grote verhaal van God en mensen’.
Murray Watts, Ark Boeken, 2008
7 Ik ben boos (gevoel) Ik ben jaloers (gevoel) Ik ben niet tevreden (gebeurtenis)

Jona en de vis

Uit het bijbelboek Jona, hoofdstuk 1 t/m 4

Drie dagen overleven in de buik van een vis? Dat zal ons niet zo snel overkomen. Het gebeurde Jona omdat hij geen zin had Gods opdracht uit te voeren. Terug in het heldere daglicht, presteerde hij het nog om te mopperen. Net een gewoon mens, die Jona.
(Tip de icons en vind dit verhaal in de app Bible-Fit.)

Er was een profeet die Jona heette.
‘Jona,’ zei God. ‘Je moet iets voor Mij doen; je moet naar Nineve.’
‘Naar Nineve? De stad van de slechte Assyriërs?’ vroeg Jona ongelovig.
‘Jona, je moet hen waarschuwen, want Ik weet hoe slecht ze
zijn.’
Jona ging naar buiten. Hij wilde helemaal niet naar Nineve, de
hoofdstad van de vijand. Moest een Israëlitische profeet in de straten
van Nineve de mensen waarschuwen? Dat kon toch niet?
Toen Jona in de haven van Joppe kwam, ging hij niet aan boord
van een schip naar Nineve, maar van een schip dat een heel andere
kant uit ging.
Het schip was op zee toen God een storm stuurde. De golven
sloegen over het schip heen en de matrozen schreeuwden van angst.
Ze baden tot hun goden, maar de storm nam niet af. Toen zag de
kapitein Jona onder in het schip liggen slapen. ‘Word wakker!’
schreeuwde hij. ‘Hoe kun je slapen als het schip bijna vergaat? Bid
tot je God en vraag Hem ons te redden!’
De matrozen dachten dat de goden boos op iemand waren, daarom
trokken ze lootjes. Jona trok het verkeerde lot.
‘Wie ben je? Waar kom je vandaan?’ vroegen ze terwijl de wind
bulderde. ‘Zeg eens, heb je soms iets uitgespookt?’
‘Ik ben een Jood en ik dien de God van hemel en aarde,’ antwoordde
Jona. ‘Maar ik ben ongehoorzaam geweest.’
‘Wat moeten we doen?’ vroegen ze.
Jona wist dat hij nergens aan God kon ontsnappen. ‘Jullie kunnen
maar één ding doen,’ zei hij. ‘Gooi me maar overboord.’
Dat wilden de matrozen niet, maar ze hadden geen keus. Ze gooiden
Jona overboord.
Onmiddellijk werd de zee weer rustig. De matrozen waren heel
verbaasd en dankten Jona’s God omdat Hij hen van de dood had
gered.
Ondertussen was er van Jona geen spoor meer te bekennen, geen
hand die boven het water uit stak, niets. Maar God had een grote
vis bevolen Jona in één hap op te slokken. Drie dagen en drie nachten
zat Jona in de buik van de vis.
Toen ging Jona bidden. God verhoorde zijn gebed en liet de vis
Jona uitspugen op het strand, vlak bij de stad Nineve.
Nu moest hij wel doen wat God wilde. Hij liep door de poort en
riep: ‘Over veertig dagen wordt Nineve verwoest en iedereen zal
door God worden geoordeeld!’
De Assyriërs vonden het maar vreemd dat die verwilderde man
door hun straten dwaalde, maar ze luisterden wel.
Iedereen, van de armste tot de rijkste, luisterde naar wat Jona te
zeggen had. De koning trok een jutezak aan en zei: ‘We moeten ons
leven beteren, misschien blijven we dan gespaard.’
Jona bleef maar vertellen dat de stad verwoest zou worden, totdat
hij, op de veertigste dag, de stad uit liep om bij de poort te wachten
op het vuur dat uit de hemel zou komen.
De zon ging onder en hij dacht: nu zullen ze merken hoe machtig
God is.
Het werd donker en Jona wachtte maar. De sterren stonden aan de
hemel, maar er viel er geen een. Er was geen komeet, geen vulkaan
– er waren alleen vogeltjes die gingen zingen toen de dag aanbrak.
De mensen van Nineve vielen elkaar huilend in de armen omdat ze
gespaard waren gebleven.
Jona werd boos op God. ‘Waarom dacht U dat ik wegliep? Ik wist
wel dat U zoiets zou doen! Ik wilde dat ik dood was!’
‘Jona,’ zei God zacht, ‘is het terecht dat je zo kwaad bent?’
Jona zei niets, maar liep de woestijn in waar hij in de brandende
zon ging zitten.
Die nacht liet God een plant naast Jona groeien. De volgende
morgen was Jona heel blij met wat schaduw van de plant, maar
toen liet God een worm de wortels weg knagen. De plant verlepte.
De volgende dag zat Jona weer in de hitte, want God had een hete
wind gestuurd. ‘Laat me toch sterven,’ kreunde Jona. ‘Net als U met
die plant heeft gedaan.’
‘Jona,’ zei God zacht, ‘is het terecht dat ze zo kwaad bent om wat
er met die plant is gebeurd?’
‘Natuurlijk! Ik ben zo boos dat ik bijna doodga!’ schreeuwde
Jona.
‘Die plant groeide in één nacht en hij heeft je niets gekost. Mag Ik
niet zorgen voor de duizenden mensen in Nineve en hun dieren? Is
het verkeerd als Ik hun laat zien dat Ik van hen houd?’
Peinzend keek Jona voor zich uit. Hij hoorde de mensen en kinderen
van Nineve praten en zingen.
God had dit gedaan om te laten zien dat hij niemand voortrekt;
God wilde alle volken laten weten dat Hij van ze hield.

Met toestemming overgenomen uit: ‘Het grote verhaal van God en mensen’.
Murray Watts, Ark Boeken, 2008
8 Kerstfeest (gebeurtenis)

De geboorte van Jezus

Uit het bijbelboek Lucas, hoofdstuk 2

Dit verhaal vertelt over een van de belangrijkste gebeurtenissen uit de geschiedenis: de geboorte van Jezus. Een koning komt op aarde, wat nu eens niet gepaard gaat met veel glitter en glamour. Hoe sober kan het zijn bij je geboorte: een dierenverblijf als kraamkamer, een voederbak als wieg en het eerste bezoek is een groepje rauwe herders. Waarom zij?
(Tip de icons en vind dit verhaal in de app Bible-Fit.)

Vlak voor Jezus’ geboorte gaf keizer Augustus de opdracht dat de
namen van iedereen in het Romeinse Rijk opgeschreven moesten
worden.
Iedereen moest zijn naam laten opschrijven in de stad waar zijn
familie vandaan kwam. Zo werd niemand overgeslagen en wist de
keizer zeker dat iedereen belasting betaalde.
Jozef moest helemaal naar Betlehem toe. Hij maakte zich zorgen
om Maria die hoogzwanger was, maar ze móesten op reis.
De weg naar Betlehem liep door ravijnen, woestijn en steile heuvels,
maar eindelijk bereikten ze het kleine Betlehem, hoog in de
heuvels bij Jeruzalem.
Het was al avond en erg koud. Op straat liepen Romeinse soldaten
en mensen die overal vandaan kwamen. Het was een gekrioel
van schreeuwende mensen, kakelende kippen en blaffende honden.
Jozef keek om zich heen, maar overal was het druk; in geen enkele
herberg was nog plaats. Uiteindelijk kwamen ze bij de laatste herberg.
‘Er is nog plaats in de stal,’ zei de herbergier. ‘Jullie mogen wel in
het hooi slapen.’
‘Maar mijn vrouw krijgt een baby!’ riep Jozef nog, maar de herbergier
was alweer naar binnen gegaan om voor de andere gasten
te zorgen.
Met een glimlach zei Maria: ‘In het hooi is het ook warm.’
Midden in de nacht werd de baby geboren.
Omdat het koud was, wikkelde Maria haar zoontje in doeken en
legde hem in een voerbak.

Die nacht waren er herders in de heuvels rond Betlehem die op hun
schapen pasten. Ze zaten rond een vuur om warm te blijven. Het
was heel rustig met alleen de vlammen en de rook die in de sterrennacht
verdween.
De herders vertelden elkaar verhalen en maakten grapjes toen er
ineens een helder licht aan de hemel verscheen. Geschrokken sprongen
de herders op. Ze wilden zich verstoppen, maar dat kon niet, zo
helder werd alles verlicht. Het leek wel of de hemel in brand stond.
Boven hen verscheen een engel. Angstig knielden de herders neer.
‘Wees maar niet bang,’ zei de engel. ‘Ik heb goed nieuws, voor jullie
en voor de hele wereld.’
Door hun vingers gluurden de herders naar boven. ‘Vandaag is in
de stad van David jullie Redder geboren,’ ging de engel verder. ‘Hij
is de messias, de Heer. Hier is het teken dat het waar is: in een voerbak
zullen jullie een baby vinden die in doeken is gewikkeld.’
Op dat moment kwamen er nog veel meer engelen. Ze zongen:
‘Eer aan God in de hoogste hemel en vrede op aarde voor alle mensen
die hij liefheeft.’
De muziek deed hemel en aarde schudden. Na een tijdje stierf de
muziek langzaam weg.
Angstig krabbelden de herders weer op. ‘We moeten maar naar
Betlehem gaan om het met eigen ogen te zien,’ zeiden ze.
Ze renden naar Betlehem. Ze gingen alle huizen langs en alle herbergen,
totdat ze bij de stal kwamen.
Binnen bleven ze verlegen staan en keken naar het gezinnetje dat
zacht door het licht van de lamp werd beschenen. Maria was heel
rustig, het leek alsof ze hen al had verwacht. Jozef stond op en in
het hooi lag de baby.
De herders vertelden Maria en Jozef wat ze hadden gezien en ge-
hoord. Maria onthield de prachtige woorden van de engel voor altijd
en bewaarde ze in haar hart.

Met toestemming overgenomen uit: ‘Het grote verhaal van God en mensen’.
Murray Watts, Ark Boeken, 2008
9 Feest! (gebeurtenis) Ik ben verliefd (gevoel)

Water wordt wijn

Uit het bijbelboek Johannes, hoofdstuk 2

Een bruiloft is een feest en daar moet bij gedronken worden. Maar als de wijn opeens op is, zorgt dit voor een groot probleem. Gelukkig zijn er nog vaten vol met water én is Jezus aanwezig op het feest.
(Tip de icons en vind dit verhaal in de app Bible-Fit.)

Op een dag werden Jezus, zijn moeder Maria en nog wat vrienden
uitgenodigd voor een bruiloft in het dorpje Kana, niet ver van Nazaret.
Het was een groot feest met muziek en dans; er werd gelachen
en gezongen. Het feest duurde een paar dagen. Iedereen zei dat de
bruidegom een schitterend feest gaf, de beste bruiloft van Galilea.
Maar Maria hoorde twee knechten fluisteren.
‘De wijn is op!’
‘Dat kan niet!’
‘Er is alleen nog maar water...’
‘Maar het feest duurt nog dagen... Wat nu?’
Maria wist dat het een schande voor de bruidegom zou zijn als hij
de gasten alleen nog maar water kon inschenken.
‘Zeg het nog maar niet tegen de bruidegom,’ zei ze.
Verbaasd keken de knechten haar aan, maar Maria liep snel naar
Jezus. ‘De wijn is op,’ zei ze.
Jezus keek haar doordringend aan. ‘Waarom zeg je dat tegen Mij?’
vroeg Hij.
Maria zei niets maar keek Hem rustig en afwachtend aan.‘Je weet
toch dat mijn tijd nog niet gekomen is?’ vroeg Hij.
Maria wist dat Hij het over later had, wanneer God zijn glorie en
macht zou laten zien, maar ze wist ook dat Jezus de bruidegom uit
de nood zou helpen.
Ze haalde de knechten erbij en zei: ‘Doe precies wat Hij zegt.’
De knechten keken elkaar eens aan.
Wat kon Jezus doen? Het was te laat om nog meer wijn te kopen.
‘Vul die kruiken met water,’ zei Jezus.
De knechten vulden de kruiken tot de rand met water, want ze
móesten Hem gehoorzamen.
‘Giet er nu wat uit en breng dat naar de eregast,’ zei Jezus.
Ze durfden niets te zeggen en deden wat Jezus had gezegd, maar
vreemd vonden ze het wel.
De eregast nam het water aan, proefde en glimlachte.
‘Uitstekende wijn,’ zei hij. ‘De beste die ik ooit heb gedronken.’
De knechten renden terug naar de zes kruiken. Ze zaten allemaal
vol wijn.
De eregast fluisterde tegen de bruidegom: ‘Meestal krijgen de gasten
eerst de goede wijn en daarna de slechte, omdat ze dat dan toch
niet merken. Maar jij hebt de beste voor het laatst bewaard.’
De bruidegom was stomverbaasd. Waar kwam die wijn vandaan?
Dit was het eerste wonder dat Jezus deed. Zijn volgelingen begrepen
dat het een teken was van Gods liefde voor de wereld.

Met toestemming overgenomen uit: ‘Het grote verhaal van God en mensen’.
Murray Watts, Ark Boeken, 2008
10 Geldgebrek (gebeurtenis) Ik ben mislukt (gebeurtenis) Ik heb spijt (gevoel)

Het verhaal van de verloren zoon

Uit het bijbelboek Lucas, hoofdstuk 15

Een verhaal over een zoon die zijn vader de rug toekeert, flink gaat feesten en z’n hele erfenis verspilt. Daarna blijft hij met niks en moederziel alleen over. Wat doet de vader als de zoon thuiskomt, smekend of hij als knecht mag werken?
(Tip de icons en vind dit verhaal in de app Bible-Fit.)

Jezus wilde dat de mensen goed zouden begrijpen dat God van hen
hield en daarom vertelde Hij het volgende verhaal:
‘Er was eens een man die twee zonen had. De oudste werkte heel
hard op de boerderij van zijn vader, maar de jongste zei: “Geen me
mijn erfenis nu maar vast, dan trek ik de wereld in om plezier te
maken.” Zijn vader gaf hem het geld van de erfenis en de jonge man
vertrok naar het buitenland om plezier te maken.
De hele dag feestte hij. Hij gaf veel geld uit en op een dag had hij
niets meer over. Toen kwam er hongersnood in dat land. De jongste
zoon was er vreselijk aan toe, zijn kleren waren gescheurd, hij had
geen vrienden meer en hij moest vervelende klusjes doen.
Hij woonde bij de varkens waar hij voor moest zorgen. Hij had
zo’n honger dat hij nog wel varkensvoer had willen eten, maar zelfs
dat kreeg hij niet.
Op een dag dacht hij: bij mijn vader hebben de knechten goed te
eten en ik ga hier bijna dood van de honger. Ik ga terug en dan zeg ik
tegen mijn vader dat ik gezondigd heb tegen God en tegen hem. Ik zal
zeggen dat ik het niet waard ben zijn zoon te zijn en dan vraag ik of
ik zijn knecht mag worden. Hij verliet de smerige varkens en ging op
weg naar huis. Toen hij nog ver van huis was, zag zijn vader hem aankomen.
Blij rende hij naar zijn zoon toe en omhelsde en kuste hem.
“Je bent weer thuis!” riep de vader blij.
“Vader,” zei de jonge man met tranen in de ogen. “Ik heb gezondigd
tegen God en tegen u. Ik ben het niet waard uw zoon te zijn.”
Zijn vader liet hem niet uitspreken. Hij riep tegen de knechten:
“Snel, haal de mooiste kleren voor mijn zoon, geef hem gouden ringen
voor zijn vingers en sandalen voor zijn pijnlijke voeten. Slacht
een kalf en braad het voor het feest!” Omringd door de knechten
bracht de vader zijn zoon naar het huis.
“Kijk!” juichte hij. “Mijn zoon was dood, maar nu leeft hij weer!
Hij was weg, maar nu is hij er weer!” Toen kon het feest beginnen.
De oudste zoon was ondertussen teruggekomen van de akker waar
hij de hele dag hard had gewerkt. Hij hoorde de muziek, hij zag de
lampen in en om het huis, hij zag de mensen dansen en springen.
“Is er feest?” vroeg hij. Toen hij hoorde dat het feest werd gegeven
voor zijn weggelopen broer, werd hij kwaad.
Toen zijn vader naar hem toe kwam, zei hij boos: “Al die jaren
heb ik hard voor u gewerkt, maar voor mij geeft u nooit een feest!
En nu komt mijn broer terug, die nooit iets nuttigs heeft gedaan, en
u verwelkomt hem als een prins!”
Zijn vader zei zacht: “Zoon, alles wat ik heb, is van jou – alles!
Maar ik dacht dat je broer dood was, dat ik hem nooit meer zou
zien. Maar hij leeft, hij is hier! Is het dan verkeerd om dat te vieren?”’

Met toestemming overgenomen uit: ‘Het grote verhaal van God en mensen’.
Murray Watts, Ark Boeken, 2008
Meer verhalen: